U bent hier:

Van biologisch tot groen: begrippen in de sierteelt uitgelegd

Van biologische sierteelt tot groene gewasbeschermingsmiddelen en biologische bestrijders. Het zijn termen die vaak worden gebruikt in de sierteeltsector; soms op de juiste manier, soms ten onrechte. Maar wat betekenen deze begrippen eigenlijk? In dit artikel leggen we het uit. 

Wat zijn biologische gewasbeschermingsmiddelen?
De meeste kwekers gebruiken meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen om hun planten of bloemen te telen en te beschermen. Bijvoorbeeld tegen onkruid, insecten, schimmels en andere schadelijke organismen, ziekten of plagen. Gewasbeschermingsmiddelen helpen de gewassen gezond te houden en misoogsten te voorkomen. 

De gewasbeschermingsmiddelen die worden gebruikt, worden steeds duurzamer en hebben steeds minder milieu-impact. Vroeger bevatten gewasbeschermingsmiddelen vooral chemische stoffen. De ambitie van Nederland is om in 2030 grotendeels zonder chemische gewasbeschermingsmiddelen te telen. Daarom zijn er steeds meer gewasbeschermingsmiddelen van natuurlijke oorsprong op de markt. Dit zijn middelen op basis van micro-organismen (zoals schimmels en bacteriën) en/of waarvan de werkzame stof uit planten- en of kruidenextracten komt. Denk aan de neemboom of sinaasappel- of knoflookextract. Deze gewasbeschermingsmiddelen behoren, net als feromonen (lokstoffen) tot de biologische gewasbeschermingsmiddelen. 

Het gebruik van biologische gewasbeschermingsmiddelen neemt de afgelopen jaren flink toe. In de laatste decennia is het gebruik van microbiologische middelen tegen plagen met een factor 10 toegenomen. Op de sierteeltbedrijven onder glas gebruikt ca. 50 tot 90% van het areaal microbiële middelen (bron: CBS).  De laatste jaren neemt ook de inzet van microbiële middelen tegen ziekten sterk toe, met name in grondgebonden teelten.

Er zijn steeds meer diverse biologische gewasbeschermingsmiddelen beschikbaar. Bestaande en nieuwe producenten werken aan het op de markt krijgen van meer biologische gewasbeschermingsmiddelen. Dit zijn vaak lange trajecten, die soms wel tien jaar duren. Die tijd is er niet, gezien de ambities voor 2030. De Europese Commissie werkt daarom aan een versnelde beoordeling van de vele biologische middelen.

Handig om te weten:

  • Toetsing en toelating van biologische gewasbeschermingsmiddelen gaat op dezelfde manier als bij chemische gewasbeschermingsmiddelen. Lees hier meer over in dit artikel.
  • In tegenstelling tot de groenten- en fruitsector (AGF) gelden in de sierteelt geen wettelijke Maximale Residu Limieten (MRL) voor gewasbeschermingsmiddelen. MRL is het wettelijk toegestane maximale residu (restgehalte) van een stof in of op voedingsmiddelen. Uiteraard blijft het streven, ook in de sierteelt, om eventuele residuen op het gewas zo laag mogelijk te houden.

Wanneer is iets ‘groen’?
De term ‘groen’ (en/of ‘chemievrij’) wordt vaak gebruikt, ook rondom gewasbescherming. ‘Groen’ is geen officiële term of titel. Het is meer een verzamelnaam. In Nederland is afgesproken om de biologische middelen en de laag-risicomiddelen tezamen te benoemen als ‘groene’ middelen. Er bestaat geen predicaat ‘groen’ of een certificaat dat aantoont dat een kweker groen is of groen werkt. Wel bestaat in Nederland het initiatief 100% Groen Geteeld. Dit wordt getrokken door de versnellers in de sierteelt. Hun ambitie: telen zonder chemische gewasbeschermingsmiddelen. Het doel: gewassen rendabel telen in een integraal weerbaar teeltsysteem met groene, biologische en technologische oplossingen.

Wat zijn biologische bestrijders?
Telers kunnen hun gewassen ook beschermen met biologische bestrijders. Dit zijn geen gewasbeschermingsmiddelen, maar levende insecten en andere beestjes die ziekten en plagen bestrijden. Het gaat bijvoorbeeld om sluipwespen, roofmijten en nematoden (aaltjes). Dit zijn als het ware de natuurlijke vijanden van alles wat ziekten en plagen veroorzaakt. Biologische bestrijders mogen zowel in de kassen als buitenteelt (open teelt) worden ingezet als ze op de lijst staan van natuurlijke vijanden die vergunningsvrij zijn of als er een omgevingsvergunning is aangevraagd en afgegeven door RVO (in Nederland). 

Geïntegreerde gewasbescherming
Biologische bestrijders worden steeds meer ingezet, in lijn met de principes van Integrated Pest Management (IPM). In gewassen als roos, gerbera en chrysant passen vrijwel alle bedrijven (95 - 100%) biologische bestrijders toe. In de potplanten ligt dat percentage lager (ca. 75 - 85%). Veelal heeft dit te maken dat bij de afzet van deze producten de biologische bestrijders nog in het gewas zitten, wat gezien wordt als ‘beestjes’ in het gewas, terwijl juist hiermee biologische bestrijders meegegeven wordt ter voorkomen van schadelijke plagen. Deze aanpak voorkomt en bestrijdt ziekten en plagen op een minder belastende en milieuvriendelijke manier. De meeste kwekers in Europa en dus ook Nederland werken volgens IPM. IPM is ook onderdeel van de certificering volgens de FSI-eisen. 

Handig om te weten: 

  • Naast IPM wordt ook steeds meer de term Integrated Crop Management (ICM) gebruikt.  ICM is net als IPM ook een allesomvattende systeemaanpak. Het omvat wel meer kennisgebieden dan alleen plaag-, onkruid- en ziektebeheersing; denk aan bodemgezondheid, watergift en nutriëntenmanagement. Dit om een zo weerbaar en veerkrachtig mogelijk gewas te creëren.
  • Biologische bestrijders werken niet tegen alle plagen. Er wordt continu onderzoek gedaan naar nieuwe biologische bestrijders. Het is van belang om bij inzet van biologische bestrijders te zorgen voor voldoende voedsel en huisvesting.
  • Steeds meer kwekers huren gewasbeschermingsadviseurs in, die hen adviseren over de inzet van biologische bestrijders.
  • Meer weten over (de werking van) IPM? Lees dit artikel.

Wanneer is een bloem of plant ‘biologisch’?
Om een bloem of plant de officiële titel ‘biologisch’ te kunnen geven, heb je als kweker een EU Organic-certificaat nodig. In Nederland is Skal Biocontrole de onafhankelijke organisatie die toezicht houdt op de biologische productieketen en controleert of bedrijven voldoen aan de Europese biologische wet- en regelgeving, de Nederlandse Landbouwkwaliteitswet en de reglementen en grondslagen van EU Organic. 

Een EU Organic-certificaat is een wettelijk verplicht keurmerk voor elk bedrijf dat biologische producten produceert, verwerkt, verpakt, verhandelt, opslaat of importeert. Met zo’n certificaat toon je aan dat je voldoet aan de Europese wetgeving voor biologische landbouw- en voedselproductie. Ook eventuele leveranciers en tussenhandelaren van plantmateriaal moeten EU Organic gecertificeerd zijn. 

Wie de titel ‘biologisch’ (EU Organic/Skal) voor zijn bloemen of planten wil gebruiken, moet produceren:

  • Zonder kunstmest.
  • Zonder chemisch-synthetische gewasbeschermingsmiddelen.
  • Zonder genetisch gemodificeerde organismen.
  • Met teelt in volle grond. 

Ook mogen alleen gewasbeschermingsmiddelen die op de Skal inputlijst staan worden toegepast. De uitgangspunten zijn vastgelegd in de Europese biologische wetgeving, waaronder Verordening (EU) 2018/848.

Voor kwekers, zeker in kassen, is het vooralsnog lastig om een EU Organic/ Skal-certificaat te behalen. Minder dan 1% van de bij Royal FloraHolland aangesloten kwekers is biologisch. Dit komt onder andere door de strengere regels rondom het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en omdat de bloemen en planten geteeld moeten worden in de volle grond. Voor veel kwekers is het te uitdagend; qua plantgezondheid, teeltsysteem én economisch. De sierteeltsector ziet het niet als doel op zich om zoveel mogelijk biologisch te werken, wel om de milieu-impact zoveel mogelijk te verlagen. Ook in het convenant gewasbescherming wordt vooral ingezet op het verlagen van de totale milieu-impact door het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen te beperken. 

Handig om te weten: 

  • Voor biologische planten en bloemen is de productie en de afzetmarkt nu nog beperkt. Maar de markt groeit wel degelijk. 
  • Biologische producten moeten aan veel meer criteria voldoen dan alleen biologische gewasbescherming. Zo zijn er ook criteria voor bemesting en teeltsysteem. 

Hoe zit het met biociden en biostimulanten?
Twee andere termen met ‘bio’ erin, zijn biociden en biostimulanten. 

Biociden
Biociden zijn geen gewasbeschermingsmiddelen. Ze bestrijden wel bacteriën en andere schadelijke organismen, maar mogen niet gebruikt worden op planten, gewassen en plantaardige producten. Met biociden worden bijvoorbeeld kassen, teeltsystemen, potten en gereedschappen gedesinfecteerd van bacteriën, schimmels en virussen. Het Ctgb beoordeelt welke middelen gebruikt mogen worden en waarvoor. 

Biostimulanten
Biostimulanten zijn eveneens geen gewasbeschermingsmiddelen. Ze worden wel op planten, gewassen of in de bodem toegepast. Ze vallen onder de EU-meststoffenverordening. Biostimulanten bevatten stoffen of micro-organismen die ervoor zorgen dat:

  • Gewassen voedingsstoffen efficiënter gebruiken.
  • Gewassen beter tegen slechte omstandigheden kunnen, zoals droogte, een bodem met een hoog zoutgehalte of extreme temperaturen (abiotische stress).
  • Voedingsstoffen in de bodem beter beschikbaar worden voor de gewassen.
  • Bepaalde kwaliteitskenmerken van een plant, zoals geur en kleur, worden versterkt.

Handig om te weten: 

  • Een biostimulant mag niet worden gepositioneerd of geadviseerd als middel tegen een specifieke ziekte of plaag. Een sterker gewas kan indirect minder gevoelig zijn, maar dat maakt de biostimulant nog geen gewasbeschermingsmiddel.Biociden en biostimulanten kunnen beide onderdeel zijn van een IPM- of ICM-plan, ieder vanuit hun eigen functie en binnen de wettelijke toepassing van het product.

Dit artikel is tot stand gekomen in samenwerking met Royal FloraHolland. Artemis leverde inhoudelijke expertise over biologische gewasbeschermingsmiddelen, biologische bestrijders en biostimulanten.