U bent hier:

Eerder gezien, gerichter handelen: detectie als bouwsteen van weerbaar telen

Gewasbescherming verandert. Binnen steeds meer teelten verschuift het accent naar biologische gewasbeschermingsmiddelen en natuurlijke vijanden. Die ontwikkeling stelt andere eisen aan de manier waarop ziekten en plagen worden gemonitord. Bij biologische en groene oplossingen zijn een goede timing en gerichte toepassing vaak bepalend voor het resultaat. Naarmate deze oplossingen een grotere rol krijgen binnen de gewasbeschermingsstrategie, wordt het daarom steeds belangrijker om vroeg te weten wat er in het gewas gebeurt, waar het gebeurt en hoe een aantasting zich ontwikkelt.

Goede detectie en monitoring worden daarmee steeds belangrijkere bouwstenen van weerbaar telen.

Van reageren naar gericht bijsturen

Scouting en monitoring zijn natuurlijk niet nieuw. Telers en adviseurs lopen door het gewas, beoordelen symptomen en tellen insecten op vangplaten. Nieuwe technologie maakt het echter mogelijk om vaker, op meer plekken en steeds objectiever informatie te verzamelen. Bovendien ontstaan technieken waarmee veranderingen soms al kunnen worden waargenomen voordat duidelijke symptomen zichtbaar zijn.

Daarmee ontstaat niet alleen informatie over óf een ziekte of plaag aanwezig is, maar steeds vaker ook waar deze voorkomt en hoe een aantasting zich ontwikkelt. Daarnaast kunnen nieuwe technieken inzicht geven in de toestand van de plant zelf en signaleren wanneer een plant stress ervaart. Dat biedt de mogelijkheid om eerder te onderzoeken wat hiervan de oorzaak is en hierop te anticiperen.

Wanneer bijvoorbeeld vroeg zichtbaar wordt dat een plaag zich op een bepaalde plek in het gewas begint te ontwikkelen, kan daar gerichter worden gescout of kan de inzet van natuurlijke vijanden worden aangepast.

Dat sluit aan bij het werken met escalatieladders binnen de gewasbescherming. Bij een kleine, lokale aantasting kan bijvoorbeeld pleksgewijs worden ingegrepen, bij voorkeur met een biologische of andere laagrisicomaatregel. Neemt de aantasting toe of blijkt de gekozen aanpak onvoldoende effectief, dan kan worden opgeschaald naar een volgende maatregel. Om te bepalen wanneer opschalen nodig is, moet niet alleen de omvang van een aantasting bekend zijn, maar juist ook hoe deze zich ontwikkelt. Frequente en nauwkeurige detectie is daarvoor essentieel.

Van meer data naar betere beslissingen

Nieuwe detectietechnieken kunnen veel informatie opleveren, maar meer data is op zichzelf geen doel. De waarde ontstaat wanneer informatie helpt om te bepalen wat er aan de hand is en wanneer en waar moet worden ingegrepen.

Detectie kan vervolgens ook worden gebruikt om te beoordelen of een ingreep daadwerkelijk het gewenste effect heeft. Dat kan bijvoorbeeld zichtbaar worden doordat een aantasting afneemt of zich minder snel ontwikkelt, maar ook doordat een gemeten stressreactie van de plant afneemt. Zo ontstaat een cyclus van meten, ingrijpen, het effect beoordelen en waar nodig opnieuw bijsturen.

Daarbij kunnen verschillende informatiebronnen steeds vaker met elkaar worden gecombineerd. Denk aan gegevens uit vangplaten, camerabeelden, klimaatdata en plantsensoren. Kunstmatige intelligentie kan deze gegevens combineren met historische data en daarvan leren. Zo kunnen patronen en ontwikkelingen worden herkend die uit afzonderlijke metingen moeilijk zijn af te leiden.

Voor telers en adviseurs ligt daar uiteindelijk de belangrijkste uitdaging: niet alleen leren werken met nieuwe meetmethoden, maar vooral leren welke teeltbeslissingen op basis van die informatie kunnen worden genomen.

Aan de slag met nieuwe technieken

De ontwikkeling richting weerbare teeltsystemen vraagt om meerdere bouwstenen, zoals preventie, hygiëne, klimaat- en bodembeheer, biologische gewasbescherming én kennis van wat er daadwerkelijk in het gewas gebeurt. Detectie en monitoring kunnen daarbij zichtbaar maken of een strategie werkt en informatie geven om tijdig bij te sturen.

Daarom agendeert Artemis dit onderwerp. Niet omdat iedere teler morgen een gewas vol sensoren moet hangen, maar omdat betere informatie de mogelijkheden van biologische gewasbescherming kan vergroten. Daarbij is het belangrijk om niet te wachten totdat nieuwe technieken volledig zijn uitontwikkeld. Zeker technieken die gebruikmaken van kunstmatige intelligentie blijven zich ontwikkelen en hebben praktijkdata nodig om steeds beter te worden. Brede toepassing in de praktijk is daarmee niet alleen het eindpunt van ontwikkeling, maar kan juist bijdragen aan die ontwikkeling.

De oproep vanuit Artemis is dan ook: ga aan de slag met nieuwe detectietechnieken, ook wanneer deze nog volop in ontwikkeling zijn. Door ze in de praktijk te gebruiken, worden niet alleen de technieken verder ontwikkeld, maar ontstaat ook inzicht in wat de informatie daadwerkelijk betekent voor de teelt. Kijk daarbij niet alleen naar wat een techniek kan meten, maar vooral naar hoe je als teler of adviseur je beslissingen op deze informatie kunt afstemmen.

In het volgende nieuwsartikel gaan we verder in op de verschillende detectietechnieken die beschikbaar zijn en/of nog worden ontwikkeld: van camera’s en beeldanalyse tot plantsensoren en andere nieuwe meetmethoden.

Zo ontwikkelen techniek én toepassing zich samen verder en kunnen nieuwe vormen van detectie daadwerkelijk bijdragen aan een weerbare teelt.